Nu journalisten en politici over deze thema's markante uitspraken hebben gedaan, en nu we iets meer weten over de feiten zelf, lijkt het gepast, zeker voor ethici, om ons over de fundering van onze spontane houdingen te bezinnen.
Indien het interview waarheidsgetrouw is, lijkt het nagenoeg zeker dat de kinderen niet op adequate wijze waren ingelicht over het voornemen tot collectieve zelfdoding. Heel waarschijnlijk was er dus een ,,dubbelzelfmoord'' van de ouders, gepaard gaande met moord op de kinderen. Bij zo'n dubbele zelfmoord (bekende voorbeelden zijn die van de dichter von Kleist en van Lafargue, de schoonzoon van Marx) is er veelal een leidende figuur die het initiatief neemt en een zwakkere persoon die in het gebeuren wordt meegesleept. Uit het interview blijkt dat de vader hier de stuwende kracht was; indien hij zijn kinderen niet in extremis heeft kunnen overreden, zal hij het allicht zijn die ze heeft gedood.
Komt de verantwoordelijkheid van de journaliste in het geding? Verwijzingen naar de essentiële opdracht van de journalist, naar het beroepsgeheim of naar de plicht tot de bescherming van de bronnen, bieden geen verschoningsgrond: zodra mensenlevens op het spel staan, is ook een journalist in de eerste plaats "mens" en moet hij dus bijstand verlenen aan personen in nood. Kennelijk is de journaliste van het artikel tot dezelfde conclusie gekomen en daarom heeft ze de burgemeester van Kasterlee verwittigd.
De burgemeester is de gezagsinstantie die met politie, administratie en andere deskundigen overleg kan plegen, die dichter bij de mensen staat dan bijvoorbeeld de gerechtelijke instanties en die dus in dergelijke gevallen de meest aangewezen figuur is om op te treden. Indien (indien)de informatie over het te verwachten drama adequaat werd doorgegeven en duidelijk verwees naar het risico voor de kinderen, heeft de journaliste daarmee juridisch en volgens de gangbare moraal haar plicht gedaan. Men kan echter de lat op ethisch vlak iets hoger leggen. Moest ze niet weten dat we al enige tijd in Absurdistan leven en dat een blind vertrouwen in de autoriteiten eigenlijk niet meer verantwoord is?
Toen de burgemeester niet eens in staat bleek het juiste aantal kinderen te achterhalen, had ze zelf op zoek kunnen gaan en al haar vakkennis mobiliseren om met die kinderen in contact te komen. Degenen die haar nu aanvallen, zouden dan wel gezegd hebben dat ze haar boekje te buiten ging, maar misschien had ze de kinderen kunnen redden... Doch wie zijn wij om te suggereren dat mensen meer moeten doen dan wat recht en gangbare moraal van hen vragen?
IN verband met de berichtgeving door Humo moet ik vooraf nog eens Voltaire parafraseren: ook als ik zou zeggen dat ik iemands geschriften verafschuw, zou ik toch tot mijn laatste snik diens recht verdedigen om ze te drukken. De vrijheid van drukpers is voor een democratie zo belangrijk dat zelfs het misbruik van die vrijheid slechts in een beperkt aantal gevallen mag worden beteugeld.
Bestraffing moet kunnen in gevallen van laster of eerroof en aansporing tot misdaad, kortom voor die informatie die zware en ongerechtvaardigde schade toebrengt aan individuen of groepen. Met het verbieden van negationistische geschriften bijvoorbeeld heb ik het moeilijk, hoewel ik er als tijdelijke maatregel enig begrip voor kan opbrengen.
Deze bescherming van de persvrijheid ontzegt ons uiteraard niet het recht om ethische oordelen uit te spreken over gebruik en misbruik van drukpers en andere media. Waarden die we hierbij wensen hoog te houden, zijn bijvoorbeeld de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie, de privacy van individuen, het recht om niet op zinloze wijze gekrenkt te worden als individu of als groep, het afwijzen van materiaal dat maatschappelijke schade kan toebrengen - bijvoorbeeld het verspreiden van een geweldcultuur.
Zodra we echter criteria willen ontwerpen om nauwkeurig uit te maken wat kan en wat niet kan, wordt het vreselijk moeilijk. De mate waarin die waarden worden aangetast, kan heel sterk variëren en ook het bewijs van schade is vaak moeilijk te leveren. Overigens kan een beperkte aantasting van deze waarden aanvaardbaar zijn wanneer de informatie maatschappelijk relevant is: het verslag van een assisenproces bevat privé-informatie die men buiten deze context niet zou mogen verspreiden. Ethische commissies die over een deontologische code moeten waken, zullen het met deze problematiek heel moeilijk hebben: in extreme gevallen, waarover een brede consensus bestaat, kunnen ze iemand aan de openbare minachting prijsgeven, maar veelal zullen ze moeten streven naar collegiale afspraken tussen journalisten, uitgevers en externe deskundigen, over normen die ze beloven te respecteren.
Wat een minister met dergelijke afspraken kan aanvangen, is mij niet duidelijk.
STRAFRECHTELIJK gezien lijkt er mij in verband met het Humo-interview niets aan de hand. Vanuit een brede visie op media-ethiek kunnen wel de volgende waarden in het gedrang komen: de pijn die men eventueel aan de nabestaanden berokkent, het maatschappelijk risico dat kan samenhangen met imitatiegedrag: imitatie van een dubbelzelfmoord, of imitatie door suïcidale figuren die hun daad eveneens in de pers zouden willen aankondigen, en algemeen het gevoel van onbehagen bij de confrontatie met wat als lijkenpikkerij wordt ervaren: proberen voordeel te halen uit het ongeluk van een ander.
Wat dit laatste betreft, moeten we vaststellen dat de nationale en de internationale pers er bol van staan en, afgezien van een persoonlijke afkeer, beschik ik niet over een duidelijk criterium over wat wel en wat niet kan. Het risico op een dubbelzelfmoord is heel gering en imitatiegedrag dus onwaarschijnlijk; dat personen met neiging tot zelfdoding eveneens een uitlaatklep in de pers zouden zoeken, kan niet worden uitgesloten en het zou nuttig zijn dat de persmensen hierover afspraken maken. De pijn voor de nabestaanden valt moeilijk in te schatten en men kan de vraag stellen of onwetendheid over de motieven van de daad niet even pijnlijk zou geweest zijn.
Wat mij betreft blijven er toch voldoende vraagtekens om te stellen dat deze publicatie zonder maatschappelijke relevantie ethisch verwerpelijk zou zijn. Dubbelzelfmoorden en vooral motiveringen ervoor, zijn zeldzaam; voor de wetenschap is het dus nuttig dat dit interview ergens wordt gepubliceerd. Vanuit een maatschappelijk oogpunt staat men voor een schrijnend verhaal van (groeps)eenzaamheid, ongecontroleerde reacties op frustratie, wereldvreemde naïviteit en de boosaardigheid of onverschilligheid van degenen die dat manipuleren of de andere richting uitkijken. Dat zoiets soms tot extreme wanhoop en tot de dood leidt, kan mensen tot nadenken aanzetten. Dat maakt het verhaal wel degelijk relevant.
Toch verwijt ik Humo - maar ook hier leggen we die ethische lat wat hoger - dat gekozen werd voor een aanpak die het sensationele aspect laat primeren. Ik weet het, allerlei kranten gaan hierover al dagenlang de sensationele toer op, maar van Humo had men iets anders mogen verwachten. In een sober bericht had men de essentiële elementen van het interview bekend kunnen maken, om dan later de tekst in extenso te brengen, maar dan wel voorzien van deskundige analyses over de spiraal van wanhoop, motieven voor dubbelzelfmoord, collectieve zelfdoding, het moordelement daarin... maar ook het eenzijdig karakter van dit verhaal zelf.
Sensationele gebeurtenissen leiden uiteraard tot sensatie-berichtgeving, maar door aan dit tragische fait divers een meer uitgesproken maatschappelijke relevantie te geven, had men de negatieve effecten kunnen reduceren en tevens het verwijt van sensatiezucht ontkrachten.